Verzakt je huis in Mokum?

fundering

EEN APPARTEMENT KOPEN IN MOKUM IS MOOI HOOR MAAR HOU OOK DE MEETBOUTEN MEETBOUT IN DE GATEN FOLKS

https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/woningeigenaren/meetbouten-amsterdam/

Amsterdams systeem voor het monitoren van (ver)zakkingen De oudere, vooroorlogse panden in Amsterdam zijn gebouwd op houten palen. De kwaliteit van deze fundering op houten palen verschilt sterk. Een slechte fundering kan (ver)zakkingen tot gevolg hebben, waardoor de kwaliteit van deze panden afneemt en mogelijkerwijs zelfs uiteindelijk tot sloop kan leiden.

Meetboutennet
Om dergelijke verzakkingen te kunnen volgen zijn op grote schaal meetbouten geplaatst in de Binnenstad, de 19e eeuwse gordel en de gordel 20-40, grofweg alle gebieden binnen de Ringweg. Deze vormen samen het zogenaamde meetboutennet. Met de meetgegevens wordt vooral het inzicht vergroot in grootte en snelheid van de zakkingen. Eigenaren van de panden kunnen met deze inzichten rekening houden bij mogelijke investeringen.

Meetbouten
Meetbouten (roestvast stalen boutjes met een doorsnede van 6 mm) zijn op ongeveer een halve meter van het maaiveld geplaatst in de gevel.
Meetbouten worden, op aanwijzing van het stadsdeel, met een zekere regelmaat geplaatst in verschillende panden. In gebieden die naar verwachting meer met funderingsproblemen te maken krijgen worden extra meetbouten geplaatst. De verkregen meetgegevens zijn onderling vergelijkbaar.

Er zijn ongeveer 12.000 bouten geplaatst. Het plaatsen van een meetbout heeft nagenoeg geen gevolgen voor het pand. Er wordt slechts een klein gaatje in een gevelsteen geboord.
De meetbouten worden ten opzichte van een vast punt ‘ingemeten’, zodat de hoogte vastgesteld kan worden. De eerste meting, de zogenaamde nulmeting, is het uitgangspunt voor het beoordelen van eventuele (ver)zakkingen. In principe zijn sindsdien drie herhalingsmetingen uitgevoerd. Het verschil tussen de nulmeting en de herhalingsmeting is een maat voor het zettingsgedrag.

Registratie
De meetgegevens zijn opgenomen in een geautomatiseerd systeem, een Geografisch Informatie Systeem (GIS). Dit systeem presenteert en analyseert de meetgegevens op een toegankelijke manier. De Dienst Wonen (voorheen Stedelijke Woningdienst Amsterdam) is opdrachtgever van het Amsterdamse meetboutennet, GEO-informatie (onderdeel van de gemeente) registreert de meetgegevens in het GIS. Herhalingsmetingen worden vooral uitgevoerd in opdracht van de Amsterdamse stadsdelen.

Overzicht geplaatste meetbouten

Informatie voor woningeigenaren
Voor eigenaren van panden in Amsterdam is het interessant om te weten wat het zettingsgedrag van hun pand is. Het systeem levert ook bruikbare informatie voor andere woningeigenaren in wiens panden geen meetbouten zijn geplaatst.

Via het aanvraagformulier kunnen woningeigenaren metingen bij de Dienst Wonen opvragen. Hiervoor worden kosten in rekening gebracht. Meetbouten in stadsdeel Zuideramstel Als een huisnummer meerdere keren voorkomt zijn er meerdere bouten in dat pand.
20/22 betekent een bout op de grens van twee panden.

Zie ook eens uit het archief ogen-21

doofpot waarom hoor je ze niet meer erover??

http://www.ad.nl/amsterdam/huizen-amsterdam-verzakken-in-hoog-tempo~a7ad9047/

http://www.parool.nl/amsterdam/palen-onder-amsterdam-verpulveren~a264596/

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2537552/1995/05/03/Proef-tegen-verzakken-Berlages-Amsterdam-Zuid.dhtml

http://www.nrc.nl/handelsblad/1993/05/06/tienduizenden-panden-in-amsterdam-kampen-met-slechte-7181953

 

Straatnamen zijn gerangschikt op het eerste teken van de naam in de RIVIERENBUURT b.v.

a b c d e g h i j k l m n o p r s t u v w z

Alblasstraat 1, 5, 14, 17, 23, 23, 28, 28, 29, 39, 42, 45, 50, 52, 56, 56, 57, 57, 64, 66
Amsteldijk 108, 110, 113, 121, 127, 128, 129, 132, 133, 136, 139, 142, 146, 151, 155, 158, 159, 161, 162
Amstelkade 1, 2, 3, 4, 4, 6, 11, 16, 22, 25, 26, 28, 30, 31, 33, 34, 35, 36, 36, 37, 38, 40, 46, 58, 63, 65, 66, 67, 70, 72, 74, 75, 80, 84, 93, 95, 95, 96, 99, 99, 100, 101, 103, 105, 105, 105, 106, 107, 108, 110, 113, 127, 140, 148, 152, 157, 159, 166, 169, 175, 181, 185
Berkelstraat 1, 2, 3, 4, 7, 11, 19, 21
Bernissestraat 3, 11, 13, 18, 21, 25, 30/32, 35, 39, 43, 44, 51, 55, 57, 58/60, 61
Biesboschstraat 3, 9, 16, 20, 21, 22, 25, 26, 30, 30, 32, 38, 45, 46, 50, 63, 64, 89
Borssenburgplein 1, 1a, 2, 3, 4, 7, 8, 10, 14, 14, 57
Borssenburgstraat 1, 1, 7, 10, 12, 16, 19, 27, 30
Boterdiepstraat 2, 4, 7, 15, 23, 25, 30, 32, 36, 45/47, 49, 50
Churchilllaan 1, 2, 23, 24, 26, 38, 39, 40, 48, 50, 51, 54, 54, 67, 70, 76, 86, 88, 95, 100, 108, 110, 110, 110, 113e, 114, 117, 120, 124, 124, 125, 132, 135, 138, 147, 152, 153, 158, 167, 171, 176, 183, 197, 205, 206, 211, 236, 244, 250, 260, 262, 264, 272, 280, 294/296, 162, 306
Deltastraat 2, 15, 16
Deurloostraat 5, 7, 8, 16, 18, 26, 35, 41, 47, 50, 56, 59, 60, 62, 67, 70, 78, 86, 87, 104, 107, 113, 115, 119, 120, 129
Diezestraat 1, 2, 16, 19, 26, 34
Dintelstraat 1d, 2, 15, 16, 30/32, 31, 35, 49, 59, 60, 74, 81, 84, 88, 108, 11, 110, 128, 134, 134, 138, 150, 158
Dongestraat 5, 8, 10, 11, 12, 23
Eemsstraat 3, 9, 12, 26, 37, 44, 53, 60, 70, 78
Eendrachtstraat 2, 3, 6, 8, 9, 17, 23, 28
Europaplein 9, 17, 31, 39, 47, 61, 63, 73, 91
Gaaspstraat 3, 9, 19, 19, 25, 31, 32, 56
Geleenstraat 3, 10, 17, 26, 27/29, 39, 44, 47, 52
Geulstraat 5, 6, 9, 12, 17, 18, 20, 26, 29
Grevelingenstraat 1, 4/6, 5, 9, 13, 14, 30, 38
Griftstraat 2, 2, 5, 5, 6, 10, 15, 16, 28, 32, 40, 41, 42, 47, 50, 54, 55, 55
Haringvlietstraat 5, 19, 29, 39, 47, 55, 65
Hoendiepstraat 1, 2, 4, 6, 9, 16, 18, 19, 31, 33, 34
Holendrechtstraat 3, 7, 8, 12, 12, 13, 16, 17, 18, 21, 25, 28, 28, 30, 32, 35, 36, 38, 38, 40, 44, 47
Hunzestraat 1, 2, 8, 18, 27, 45, 70, 71, 91, 116, 121, 141
IJselstraat 2, 6, 6, 11, 14, 25, 28a/30n, 30, 32, 36, 39, 40, 46, 54, 57, 60, 63, 63, 77, 81, 89, 95, 99, 101, 13
Jekerstraat 1, 2, 2, 4, 6, 10, 21, 24, 41, 48, 59, 64, 77, 80, 92, 106, 17
Kinderdijkstraat 2, 9, 14, 26, 32, 35, 45, 70, 73, 90
Korte Meerhuizenstraat 2, 10
Krammerstraat 5, 11, 12, 15, 21, 24, 31, 40
Kribbestraat 1, 18, 2, 25, 38, 45
Kromme-Mijdrechtstraat 4, 6, 10, 17, 18, 19, 19, 20, 21, 21, 23, 23, 24, 25, 25, 25, 25, 25, 25, 25, 25, 26, 26, 33, 34, 37, 37, 39, 39, 43, 47, 48, 51, 55, 57, 58, 59, 62, 65, 67, 71, 75, 76, 79, 85, 87, 90, 91, 92, 94, 95, 96, 98, 99, 106, 11
Kuinderstraat 5, 16, 21, 27, 29, 39/41, 46, 59, 60, 61
Lekstraat 1, 3, 5, 6, 7, 8, 10, 28, 32, 42, 46, 52, 54, 56, 58, 60, 69, 71, 76, 136, 156, 178, 190
Maasstraat 1, 2, 3, 4, 7, 8, 13, 14, 23, 24, 24, 32, 40, 45, 47, 56, 63, 65, 66, 69, 73, 79, 85, 87, 98/100, 99, 109/111, 116, 120, 128, 132, 133, 144, 148, 149, 155/157, 171/173, 172, 177/179, 189/191, 198, 201/203, 202
Meerhuizenplein 1, 1, 2, 11, 14, 16, 34, 36, 38
Meerhuizenstraat 2, 3, 4, 7, 8, 13, 18, 18, 20, 21, 22, 32
Merwedeplein 10, 28, 30, 35, 37, 39, 43, 51, 57, 61, 62
Moerdijkstraat 3, 4, 4, 5/7, 13, 18, 33, 36, 51, 56, 56
Molenbeekstraat 2, 5, 6, 16, 25, 27, 27, 29, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 35, 37
Niersstraat 5, 5, 8, 10, 12, 18, 19, 20, 30, 33, 37, 40, 41, 41, 48, 50, 61, 64
Oude-Ijselstraat 1, 2, 7, 10, 11, 28, 34, 44, 60
President Kennedylaan 2, 4, 8, 24, 34, 42, 60, 74, 76, 80, 86, 88, 96, 102, 106, 106, 108, 112, 122, 128, 130, 130, 130, 136, 150, 170, 188, 190, 208, 210, 222, 232, 244, 268, 272
Reggestraat 2, 8, 10, 11, 18, 26, 28, 34, 52
Reitdiepstraat 1, 15, 2
Rijnstraat 1, 1, 2, 2, 5, 7, 10, 12, 16, 17, 19, 24, 25, 27, 36, 39, 42, 51, 56, 57, 59, 59, 62, 65, 69, 70, 73, 75, 80, 81, 86, 90, 91, 95, 111, 113, 117, 128, 130, 150, 161, 194, 201, 224/226, 228, 231, 232, 235, 246
Roerstraat 1, 4, 8, 15, 22, 43, 45, 46, 62, 71, 75, 76, 86, 87, 91/93, 99, 102, 103, 111, 117, 131
Roompotstraat 2, 3, 11, 12, 17, 21, 22
Rooseveltlaan 2, 9, 18/20, 23, 27, 30, 31, 35, 40, 43, 51, 54, 62, 65, 67, 72, 72, 76, 88, 92, 93, 100, 104, 116, 123, 140, 147, 150, 166/168, 184, 189, 194, 195, 204, 205, 213, 218, 221, 238, 246, 247, 254
Scheldeplein 3, 14, 6
Scheldestraat 1, 7, 12, 21, 23, 26, 28, 29, 30, 38, 39, 44, 50, 51, 66, 69, 82, 93, 98, 105, 116
Schipbeekstraat 1, 9, 10, 18, 28, 36
Slaakstraat 4, 12
Slingerbeekstraat 1, 2, 3, 6, 7, 10, 15, 18, 20, 23, 28
Sloestraat 1, 8
Trompenburgstraat 10, 12b/D, 16, 20, 24, 24, 30, 37/39, 93, 111, 11/21, 147
Uiterwaardenstraat 5, 14, 16, 17, 25, 31, 32, 34, 48, 49, 63, 64, 67, 69, 77, 81, 88, 90, 94, 98, 100, 105, 118, 119, 130, 135, 140, 146, 169, 191, 197, 199, 200, 208, 218, 235/237, 239, 246, 249, 261, 272, 275, 279, 280, 287, 294, 294, 322, 334, 362, 396
Uithoornstraat 2, 9, 15, 25, 32, 32, 33, 35, 39, 42, 45, 55, 63
Vechtstraat 3, 7, 9, 11, 17, 18, 27/29
, 36, 41, 45, 47, 47, 48, 49, 53, 57, 58, 58, 59, 60, 61, 61, 64, 65, 67, 69, 71, 71, 71, 71, 72, 77, 79, 86, 92, 105, 112, 130, 135, 137, 142, 145, 147, 163, 166, 176, 178, 180, 183, 184, 185, 188
Victorieplein 1, 2, 8, 10, 12, 14, 18, 20, 20, 21, 32, 38
Volkerakstraat 1, 6, 7, 7, 10, 11, 17, 18, 19, 19, 24, 25, 27, 30, 34, 35, 38, 40, 41, 48, 49
Vrijheidslaan 2, 3, 8, 9, 15, 18/20, 18, 26, 27, 30/32, 30, 31, 41, 43, 46, 50, 54, 56, 59, 60, 64, 66, 70, 74, 79, 80, 81, 82/84, 82, 83, 85, 86, 86, 88, 89, 90, 91, 94, 100, 101
Waalstraat 1, 3, 6, 7, 10, 17, 19, 21, 24, 28, 33, 36, 37, 38, 42, 44, 45, 46, 69, 70, 73, 89, 95, 103, 106, 120, 127, 130, 138, 139, 144/146, 156, 182
Waverstraat 5, 5, 5, 8, 16, 36, 36, 58, 58, 58, 63, 65, 73, 75, 84, 85, 95, 95, 97, 105, 143
Wielingenstraat 6, 12, 22, 32, 44
Winterdijkstraat 30, 30, 38
Zomerdijkstraat 2, 16, 30
Zoomstraat

WEET U NOG MIJN OUDE LOGS DIE TOTAAL VERKRACHT ZIJN

Ik zou zeggen: ….NIET gaan graven op de CHURCHILL-LAAN !!!

Scheueren_2

.
UDATE
Binnengkomen bericht 17.OO uur

Beste Medebewoners,
De onderstaande informatie stuurde de heer Wismans aan mij door, waarvoor dank. In de informatie staat voor het eerst een inschatting van de duur van de bouw  te weten 1,5 jaar. Baas in Eigenbuurt informeerde mij reeds dat in boven het dak geplande grondlaag van 1 meter nooit de (grote) bomen terug kunnen worden geplaatst. Die belofte kunnen ze niet waarmaken. Aan staande maandag zal at5 aandacht besteden aan de zaak, wij zijn benieuwd en zullen de zaken nauwgezet blijven volgen.
Met vriendelijke groet,
Huub van Osch
Tn_noord 
Bron: Raad
Type document: Voordracht
Nummer Gemeenteblad: 313
Onderwerp: Nota van het raadslid Hooijmaijers, getiteld: Voorkomen of genezen;
funderingsproblemen in de gordel ’20xc3x84’40.
Datum publicatie:13-05-1993
Datum Raad:26-05-1993
Besluit Raad: om preadviesTekst:

Nr. 313.  Nota van het raadslid Hooijmaijers, getiteld: Voorkomen of
genezen; funderingsproblemen in de gordel ’20xc3x84’40.

Amsterdam, 13 mei 1993.

Aan de Gemeenteraad

Amsterdam die grote stad, die is gebouwd op palen;
wanneer die stad eens omme viel, wie zou dat betalen?

Het antwoord is eenvoudig “sijmen”, of met andere woorden: de
belastingbetaler.
Bekend is dat Amsterdam op zeer slappe grond is gebouwd en zeer dicht
boven de grondwaterspiegel. Bij de uitbreiding van de stad na 1867
buiten de buitensingelgracht moest in poldergebied worden gebouwd,
waarbij ophogingen nodig waren om op het peil van de stad te komen. Deze
ophoging werd gedaan door een zandpakket aan te brengen, met als
functie: een goede drainage, een drukverdelende werking ten behoeve van
de verkeersbelasting en de mogelijkheid om leidingen en kabels aan te
brengen.
Naarmate de stad verder uitbreidde, werden steeds meer poldergebieden
bij de bebouwde stad betrokken. Er waren toen reeds ideexe2x80xb0n om de
bebouwing op polderniveau aan te leggen, doch hiertegen kwam verzet van
onder andere de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, die
voor onder meer malaria vreesde. Het resultaat was dat steeds meer
gebieden werden opgehoogd en de ophogingspakketten steeds dikker werden.
Tot de eerste wereldoorlog werd dit ophoogzand opgebracht door middel
van los storten, waardoor de pakking van deze lagen niet al te dicht
was. Na 1918 werd het merendeel van dit ophoogzand door opspuiting
aangebracht, waardoor na ontwatering een zeer dichte pakking van deze
lagen ontstond.

De bestaande stad.

Het is duidelijk dat ondergetekende hier de gordel ’20xc3x84’40 bedoelt,
het stedebouwkundig deel van Amsterdam waaraan de naam van Berlage zo
nadrukkelijk is verbonden. Overigens wil ondergetekende niet nalaten te
vermelden dat bij voorbeeld ook de Transvaalbuurt in Oost hieronder
valt. Het gaat dus niet alleen om de westelijke tuinsteden.
De dikke zandpakketten met grote dichtheid zijn de oorzaak van een
zeer hoge negatieve kleef. Negatieve kleef ontstaat doordat de
opgebrachte zandlagen zakken, omdat ze op zeer slappe lagen rusten, die
gemakkelijk vervormen. Deze zakkende zandlagen hangen door wrijving aan
de heipalen en vormen zo een extra belasting op de palen. De grootte van
de gesommeerde wrijving is weer afhankelijk van de pakkingsdichtheid en
de dikte van de laag ophoogzand, zodat duidelijk is dat in de opgespoten
gebieden de gevolgen van negatieve kleef zeer groot kunnen zijn. Wanneer
dan ook nog het feit onder ogen wordt gezien, dat deze wijken voor het
overgrote deel op houten palen gefundeerd zijn, die weinig
reservedraagvermogen hebben, dan is het duidelijk dat calamiteiten niet
kunnen uitblijven.
Uit tal van metingen blijkt dat het probleem steeds manifester
optreedt en in de komende jaren steeds duidelijker voor het voetlicht
zal treden.

Calamiteiten.

Deze zijn mede opgetreden in de Indische buurt, waar de opgespoten
zandlagen gemiddeld 6 meter dik zijn en waar nu ongeveer 75% van de
oorspronkelijke bebouwing is gesloopt als gevolg van de negatieve kleef.
Een dergelijk probleem manifesteert zich op dit moment in de
Rivierenbuurt, waar de aangebrachte zandlaag plaatselijk 4 meter dik is
en waar reeds bij verschillende panden funderingsherstel heeft
plaatsgevonden en op enige plaatsen sloop dreigt.
Ook de rest van de gordel ’20xc3x84’40 heeft op een groot aantal locaties
dikke zandpakketten.
Nu is het zo dat bij voorbeeld in de Rivierenbuurt en in Zuid de
woningbouw van een prijsklasse is die funderingsherstel of verbetering
financieel haalbaar maakt, doch in de overige buurten zijn dit juist de
goedkope woningen van redelijke kwaliteit, iets waaraan juist zo’n grote
behoefte is.

Dilemma.

De vraag rijst nu, doet de gemeente hier iets aan of laat de gemeente
uit valse zuinigheid de zaak op zijn beloop, met als resultaat dat in de
komende jaren duizenden van deze panden verzakken en daarna gesloopt
moeten worden.

Oplossing.

Dit hoe
ft niet, vindt ondergetekende, want er is een methode om dit
te voorkomen of op zijn minst voor vele decennia uit te stellen.
De heer G. Vlas, voormalig hoofd van de civieltechnische afdeling van
de sector Bouwtoezicht van de Bouw- en Woningdienst Amsterdam, heeft in
een recentelijk gehouden afscheidsvoordracht, onder de titel Ophogen en
verzakken, hier nog eens duidelijk op gewezen.
Het procxe2x80x9adxe2x80x9a bestaat eruit om een gedeelte van de zandlagen onder en
rondom de panden te verwijderen door water in te spuiten en het ontstane
zand- watermengsel weg te zuigen. Hierna wordt de ontstane ruimte
aangevuld met schuimbeton, dat ook gespoten kan worden. Het resultaat is
een aanzienlijke gewichtsvermindering van het bovenste grondpakket,
terwijl het schuimbeton met een soortelijk gewicht van minder dan 1000
kg/m3 onder (grond)water “niets weegt”, waardoor het verzakkingsproces
kan stoppen.
De gehele operatie kan plaatsvinden, terwijl de panden bewoond
blijven.
Natuurlijk kost de funderingsontlasting geld, doch slechts een
fractie van de kosten van sloop en herbouw.
Uiteraard moet een inventarisatie ten gevolge van negatieve kleef
worden gemaakt, waarbij de gemeente de gelegenheid te baat moet nemen om
die panden die vanwege een te slechte technische staat toch al gesloopt
moeten worden, te herbouwen met woningen van andere
financieringscategoriexe2x80xb0n. Hierdoor kan enerzijds het sociaal-economisch
draagvlak van de wijken worden verbeterd en anderzijds de gewenste
woningsoortverdeling volgens het Structuurplan-nieuwe-stijl worden
verbeterd.
Bovendien blijft op deze wijze een groot aantal redelijk goede,
goedkope woningen behouden, om maar niet te spreken van het behoud van
een groot deel van de zogenaamde volkswoningbouw in de Amsterdamse
school, iets waarvoor Amsterdam in die tijd beroemd was.
Er wordt nu bij voorbeeld veel aandacht besteed aan het
Mercatorplein, terwijl de kans groot is dat op niet te lange termijn
hier funderingsschade kan optreden. Immers, de toren is niet voor niets
gesloopt!
Hiernaast geldt het vorengestelde ook nog voor een deel van de
naoorlogse wijken, waar op houten palen gefundeerd is in
ophogingsgebieden.

Resumxe2x80x9a.

Samenvattend kan worden gesteld dat als de gemeente niets doet, op
afzienbare tijd grote schade zal optreden, gevolgd door sloop, hetgeen
kapitaalvernietiging is.
De VVD vindt het duidelijk dat Amsterdam de goede en goedkope
woningen broodnodig heeft voor het huisvesten van de minder
draagkrachtige inwoners, daar goedkope nieuwbouw in Amsterdam niet meer
mogelijk is.

Wat kost het.

Het betreft hier naar schatting zeker 10 xe2x80xa6 20 duizend panden met 40 xe2x80xa6
70 duizend woningen, die grotendeels in bezit zijn van de
woningbouwverenigingen en particuliere exploitanten.
De kosten per pand zullen tussen de xc5xb8 10.000 en xc5xb8 20.000 liggen,
hetgeen xc5xb8 4000 xe2x80xa6 xc5xb8 5000 per woning is.
Dit zou globaal een bedrag van 200 xe2x80xa6 400 miljoen gulden vergen,
waarbij te denken valt aan een gefaseerde uitvoering, verdeeld over bij
voorbeeld tien jaar. Hiertoe zou een plan van aanpak moeten worden
opgesteld na een grondige inventarisatie, waarbij de urgentie dient te
worden vastgesteld.

Wat kost het als je niets doet.

Bedenk wel, dat indien er niets wordt gedaan door de gemeente, de
kosten van funderingsherstel per pand minimaal xc5xb8 80.000 bedragen, dus
minimaal xc5xb8 20.000 per woning plus bijkomende kosten van uitplaatsing
enz. Dit vergt dus een bedrag van globaal 1100 xe2x80xa6 2200 miljoen gulden.
Bij sloop, gevolgd door nieuwbouw, zal er naast de
kapitaalvernietiging nog een fors bedrag aan subsidie en kopkosten op
tafel moeten komen, alsmede huursubsidie, over een fors aantal jaren.

Nu ingrijpen betekent later sparen.

Het is een eenvoudig rekensommetje om in te zien dat de besparingen
in de toekomst een bedrag van tussen de 900 en 1800 miljoen gulden
zullen bedragen.
Hierbij wordt dan tevens een woningbezit veilig gesteld, met goede en
betaalbare woningen en ten dele een unieke architectuur, maar ook wordt
het sociaal-economisch draagvlak verbeterd in de wijk door waar herbouw
noodzakelijk is, dat te doen in andere woningtypen.

Financiering.

De benodigde financixe2x80xb0n zouden volgens de VVD kunnen worden gevonden
door de volgende bronnen:
1.  afspraken met het rijk, dat hierdoor in de toekomst minder
woningsubsidies behoeft te verstrekken;
2.  het Stadsvernieuwingsfonds;
3.  reserves van woningbouwverenigingen; ruim 1 miljard gulden;
4.  eigen bijdrage van particuliere eigenaren;
5.  het Vereveningsfonds, daar waar extra grondopbrengsten ten gevolge
van sloop en vervanging door woningen in de vrije sector
plaatsvindt.

Deze nota is geschreven door een werkgroep van de VVD, bestaande uit
de hierna volgende personen:
A.M.C.A. Hooijmaijers, gemeenteraadslid voor de VVD;
G. Vlas, voormalig hoofd civieltechnische afdeling van de sector
Bouwtoezicht van Bouw- en Woningdienst Amsterdam;
W.F. Evers, raadgevend ingenieur.

Ondergetekende verzoekt uw Vergadering, deze nota in handen te
stellen van het College van Burgemeester en Wethouders om preadvies.

Het lid van de Gemeenteraad,

A.M.C.A. Hooijmaijers

Bijlage, behorende bij de nota van het raadslid Hooijmaijers,
getiteld: Voorkomen of genezen; funderingsproblemen in de gordel ’20-
’40.

… Amsterdam die grote stad,
die is gebouwd, die is gebouwd op palen;
en als die nu eens omme viel, eens omme viel,
wie zou dat dan, wie zou dat dan betalen …?

Afscheidsvoordracht, gehouden door ing. G. Vlas op 16 december 1992
ter gelegenheid van het bexe2x80xb0indigen van een 40-jarige loopbaan in dienst
van de gemeente Amsterdam.

Inleiding.

Wij allen kennen in Amsterdam bouwwerken die ons door verzakking en
scheurvorming zorgen baren. Soms doordat we te maken hebben met verrotte
fundering, door verkeerde aanlegdiepte of doordat, door welke oorzaak
dan ook, we te maken hebben met te lage grondwaterstanden.
Van heel andere orde is een fundering die overbelast is. Dat kan het
gevolg zijn van te weinig, te dunne of te korte palen, maar evenzeer
door overbelasting ten gevolge van negatieve kleef. Het is vooral dat
laatste aspect waarop nader zal worden ingegaan.

Ophogen.

Wanneer we een grondelement rondom losmaken van de omgeving, blijft
het toch staan (figuur 1); met andere woorden: het is, in verticale zin,
in evenwicht.
Het grondelement met een gewicht G wordt in evenwicht gehouden door
opwaartse krachten aan de onderzijde. Deze opwaartse krachten worden
geleverd door xe2x80x9an korreldruk (de druk die overgebracht wordt door de
contactvlakken van de ko

rrels) xe2x80x9an waterdruk.

FIGUUR 1.

Beide nemen toe met de diepte. Voor het evenwicht wordt niet meer en
ook niet minder tegendruk geleverd dan nodig is. Immers, zou er meer
tegendruk geleverd worden, dan zou het grondmassief omhoog komen. De
consequentie hiervan is dat als de waterdruk toeneemt, de korreldruk in
gelijke mate afneemt en omgekeerd. Deze samenwerking levert ons de
volgende wetmatigheid.

KORRELDRUK + WATERDRUK = CONSTANT.

Om in onze delta een terrein bouwrijp te maken, om ruim boven het
grond-waterniveau te komen, is ophogen noodzakelijk.
In het algemeen gebeurt dat met zand. Zand is goed waterdoorlatend,
waardoor de ophooglaag goed geschikt is voor de verdeling van de
verkeerslasten en we kunnen hierin leidingen en kabels opbergen.
Wat zijn de consequenties voor de onderliggende grondlagen indien we
dat ophoogzand aanbrengen?
Ook hier hebben we te maken met de bestaande verdeling van korrel- en
waterdrukken (figuur 2A).

FIGUUR 2.

Bij het ophogen, dus bij het opbrengen van belasting op het bestaande
terrein, nemen in het begin alleen de waterdrukken toe. De gehele
belasting door de ophoging wordt door het water gedragen (figuur 2B).
De korreldrukken blijven dezelfde. Vervolgens vloeit het overspannen
water (dat een hogere druk heeft dan de hydrostatische) af door de
porixe2x80xb0n en nemen de waterdrukken geleidelijk af, onder gelijktijdige
toename van de korreldrukken.
Immers: korreldruk + waterdruk = constant.
Dit proces gaat door totdat de waterspanning weer is teruggebracht
tot de hydrostatische waarde. En dan geldt weer: wat we aan waterdruk
verliezen, krijgen we aan korreldruk terug. Er blijft in verticale zin
evenwicht.
De drukverdeling in de eindfase is weergegeven in (figuur 2C).
Kort samengevat.

Bij verhoging van druk op de bestaande grondslag wordt in eerste
instantie de tegendruk geleverd door de waterdruk. Het overspannen water
vloeit af door de porixe2x80xb0n, waardoor zettingen optreden en het
korrelskelet een bijdrage gaat leveren aan het evenwicht en eveneens
wordt samengedrukt.

In dit proces onderscheiden we twee perioden, te weten:

1.  de hydrodynamische periode.
In deze periode wordt overspannen water door de porixe2x80xb0n afgevoerd en
worden de waterdrukken gereduceerd tot de hydrostatische waarde;

2.  de seculaire periode.
Dit is de periode waarin het korrelskelet deelneemt aan het evenwicht.
Het korrelskelet wordt samengedrukt, de pakking wordt dichter, korrels
kunnen verbrijzelen.

Het hiervoor beschreven proces laat zich als volgt voorstellen. Een
met water gevulde bak wordt aan de bovenzijde afgesloten met een
goedsluitende zuiger, waarop een kracht wordt uitgeoefend (figuur 3A).
Op de bodem van de bak zijn veren aangebracht die het korrelskelet
voorstellen. Het laat zich voorstellen dat de tegendruk alleen door de
waterdruk wordt geleverd.
Gaan we nu de zuiger perforeren (figuur 3B), dan kan het overspannen
water afvloeien en zal de zuiger op de veren (het korrelskelet) gaan
rusten en deze indrukken, met andere woorden: dan zal het korrelskelet
mede een dragende functie gaan vervullen en een bijdrage leveren aan het
evenwicht. Maar ook het water levert nog een bijdrage (opwaartse druk).

FIGUUR 3.

Van het hiervoor beschreven verschijnsel maken we ook in het
dagelijks leven een dankbaar gebruik.
Het is toch bekend dat het strand langs de waterlijn steviger is dan
langs de duinen. En dat we prettiger wandelen bij eb dan bij vloed.
Bij eb is het overspannen water uit de porixe2x80xb0n verdwenen. Anders
gezegd, daar is de hydrodynamische periode voltooid.
Hetzelfde is waar te nemen als we onze parasol willen plaatsen. Het
indringen van de staaf gaat langs de duinen gemakkelijker dan langs de
waterlijn.
Maar evenzeer geldt: als het gaat waaien, staat de parasol langs het
water beduidend steviger.
Met als algemene conclusie: “Elk bouwwerk, zelfs een parasol, behoeft
een goede fundering”.

Als er echt gebouwd of verbouwd moet worden, is het noodzakelijk te
onderzoeken, of de fundering een dergelijke ingreep gedoogt, opdat
latere zettingen en scheurvormingen ons niet zullen attenderen op een
onverantwoorde investering.

Verzakken.

Geologisch profiel.

In het voorgaande is geconstateerd wat er gebeurt met de ondergrond
bij ophoging in relatie tot de water- en korrelspanningen. Het is daarom
van belang te weten hoe die ondergrond is samengesteld, met andere
woorden: hoe ziet het geologisch profiel eruit, in het Amsterdamse?
Een eenduidig geologisch profiel bestaat niet. Door immense krachten
tijdens ijstijden treden allerlei lokale verstoringen op die weliswaar
funderingstechnisch van invloed kunnen zijn, maar het totaalbeeld in een
beperkte omgeving niet verstoren. Het is duidelijk dat het ophoogzand
geen deel uitmaakt van het geologisch profiel.
Door de natuurlijke afzettingen over zeer lange tijd en deformaties
onder extreem hoge drukken tijdens ijstijden, treffen we in een
geologisch profiel vele mengvormen aan. Toch zijn er in het Amsterdamse
grondvormen aan te geven (figuur 4A).
Uitgaande van het oude maaiveld vinden we tot 4 meter minus NAP “slap
veen” met daaronder tot 7 meter minus NAP “zandhoudende klei”.
Tussen 7 en 8 meter minus NAP bestaat een formatie van fijn
rondkorrelig zand, die bekend staat als de “wadzandlaag” of de “Calais
formatie”. Daaronder weer “zandhoudende klei” met schelpresten. Deze
lagen zijn funderingstechnisch niet van belang.

Grondwater.

De eerste voor de funderingstechniek wel belangrijke laag vinden we
tussen 11 en 12 meter minus NAP. Niet dat deze laag van belang is voor
het draag-vermogen van palen, maar wel voor de grondwaterhuishouding.
Deze laag van “vast bruin veen” is vrijwel waterondoorlatend en vormt
een scheiding tussen twee grondwaterregimes (figuur 4C).
Boven deze laag verloopt vanaf de gemiddelde grondwaterstand de
opbouw van de waterdruk lineair; en onder deze laag eveneens, maar met
een onderdruk van 3 meter waterdruk.
FIGUUR 4.

Met andere woorden: het grondwater in de “grof-zandlaag” heeft een
stijg-hoogte tot ongeveer 3 meter minus NAP.
Vaktechnisch gezegd: de grof-zandlaag heeft een potentiaal van 3
meter minus NAP.
Deze scheiding van waterregimes heeft consequenties voor de
paalkeuze.
Perforatie van deze veenlaag laat het grondwater afvloeien naar de
diepere lagen, hetgeen voor de houten onderdelen van de fundering niet
aanvaardbaar is. Hieruit volgt dat als geheid wordt in Amsterdam tot in
de eerste zandlaag of dieper (en dat moet altijd), de veenlaag wordt
geperforeerd en er voor moet worden gezorgd dat de perforatie gedicht
wordt.
Bij gladde palen (palen met een constante doorsnede) doet de paal dat
zelf.
Bij palen met een verzwaarde voet (voetdoorsnede groter dan de
schacht-doorsnede) levert dat meer problemen op.
De verzwaarde voet dient een zodanige lengte te hebben dat deze boven
de veenlaag uitsteekt.
Een andere oplossing is het gat met “grout” (mengsel van zand en
cement) te dichten. Een zelfde probleem doet zich voor indien, bij
voorbeeld bij herbouw, palen moeten worden getrokken. Ook dan zullen de
gaten moeten worden gedicht en dienen er niet meer palen te worden
getrokken dan strikt noodzakelijk is.

Bij het maken van bouwputten wordt dankbaar gebruik gemaakt van de
water-dichte veenlaag. Een damwand die rondom in deze laag is geheid en
een dichte bodem geven goede waarborgen voor instandhouding van het
grondwaterpeil buiten de damwand.
Van groot belang voor de funderingstechniek is de grof-zandlaag
tussen 12 en 15 meter minus NAP. De vooroorlogse bouw, gefundeerd op
palen, ontleent aan deze laag haar draagvermogen. Houten palen met een
redelijke afmeting en goed in deze laag geheid, leveren een
bezwijkdraagvermogen van 200 xe2x80xa6 250 KN (20 xe2x80xa6 25 ton).
Onder bezwijkdraagvermogen wordt verstaan dxc2¡e constante belasting
waarbij de paal niet meer tot rust komt en blijft zakken.

Conuswaarde.

Elke laag heeft ten gevolge van de korrelstructuur haar specifieke
eigenschappen, waarvan voor de funderingstechniek de inwendige wrijving
en de conuswaarde de belangrijkste zijn.
De conuswaarde is een grootheid die de weerstand van de grondlaag
aangeeft. Een cilindervormig lichaam (de conus) met een kegelvormig
uiteinde en een oppervlak van 10 cm2 wordt in de laag gedrukt. De kracht
die hier voor nodig is, wordt gedeeld door het oppervlak van de
doorsnede. Het quotixe2x80xb0nt is de conus-waarde.

kracht
Conuswaarde = _____________
oppervlak

In het verleden werd de conuswaarde uitgedrukt in kg/cm2. Ten gevolge
van de invoering van nieuwe normen wordt de conuswaarde tegenwoordig
uitgedrukt MN/m2 (1 MN/m2 = 10 kg/cm2).
In figuur 4B zijn de conuswaarden, behorende bij de geologische
formatie, aangegeven.
Tot slot zij nog opgemerkt dat de lagen tot 12 meter minus NAP
behoren tot het holoceen, terwijl de grof-zandlaag tussen 12 en 15 meter
minus NAP wordt gerekend tot het pleistoceen.

Negatieve kleef.

De belasting door het ophoogzand heeft ten gevolge van de samen-
drukbaarheid van de slappe veenlagen zettingen (Z) tot gevolg. Mede door
de ontwatering van het ophoogzand treden ten gevolge van de zettingen
wrijvings-krachten op langs de paalschacht.
Deze wrijvingskrachten, die de paal naar beneden willen trekken en
die dus paalbelasting leveren, staan in de funderingstechniek bekend als
de negatieve kleef (figuur 5).

FIGUUR 5.

De negatieve kleef wordt in belangrijke mate bepaald door de
conuswaarde van het ophoogzand.
De conuswaarden zijn weer afhankelijk van het korrelskelet, de
zuiverheid van het zand, de methodiek van opbrengen, dat wil zeggen: “in
de natte” opspuiten (de hydrolic fill) of opbrengen “in de droge”, al of
niet mechanisch verdicht.
Het is algemeen aanvaard de negatieve kleef te bepalen als 0,8% van
de conuswaarde. Richten we ons op de conuswaarden van het ophoogzand
zoals is aangegeven in figuur 4A, dan vinden we een maximale waarde van
12 MN/m2 (120 kg/cm2) en een minimale waarde van 1 MN/m2 (10kg/cm2), en
dus een gemiddelde waarde van 6,5 MN/m2.
Bij toepassing van een paal met een doorsnede van 250 x 250 mm2 en een
laagdikte van het ophoogzand van 3 meter, bedraagt de totale negatieve
kleef:
0,8 x (4 x 0,25) x 300 x (6,5 x 10) = 156 KN (15,6 ton) per paal.
Bij een belasting ten gevolge van eigen gewicht en nuttige belasting
van 100 KN (10 ton), bedraagt de totale belasting per paal 256 KN (25,6
ton). Deze waarde is in orde van grootte gelijk aan het
bezwijkdraagvermogen.
Het is duidelijk dat de fundering nauwelijks enige reserve heeft en
in labiel evenwicht verkeert.
In de binnenstad is de ophoging van niet al te beste kwaliteit en
veroorzaakt dus weinig negatieve kleef. Wanneer deze grond wordt
verwijderd en vervangen door goed ophoogzand, bij voorbeeld bij
bodemsanering, doet zich een vergelijkbare situatie voor als bij
ophoging. De aanvulling van goede kwaliteit geeft een beduidend hogere
negatieve kleef dan in de oude situatie.
Ook extreem grote straatophogingen, bij voorbeeld bij opritten van
bruggen, geven een toename van de negatieve kleef.

Oplossingen.

Uit het voorgaande is duidelijk dat de paalbelasting ten gevolge van
eigen gewicht, nuttige belasting en negatieve kleef nog slechts beschikt
over een te verwaarlozen reserve ten opzichte van het
bezwijkdraagvermogen, en soms nog minder.
Willen we die reserve vergroten, dan staan ons globaal de volgende
drie methoden ten dienste:
1. vermindering van eigen gewicht en nuttige belasting;
2. aanbrengen van extra draagvermogen;
3. vermindering van negatieve kleef.

Vermindering eigen gewicht en nuttige belasting.

Het is een goede en goedkope oplossing, maar volstrekt
onaanvaardbaar. Immers, het komt erop neer van de bestaande bebouwing
een verdieping af te slopen. Men mag echter niet verwachten dat
Amsterdam met een te kort aan woonruimte, woonruimte gaat afvoeren.

Aanbrengen van draagvermogen.

Een reeds lang toegepaste oplossing is het aanbrengen van een
betonvloer met sparingen, ingekast in de bouwmuren. Door de sparingen
heen worden nieuwe palen aangebracht en de sparingen worden gedicht
(figuur 6).
Het gewicht van de bouwmuren, vloeren en daken en de nuttige
belastingen worden via een overdompconstructie (de vloer kraagt uit over
de palenrij) op de nieuwe palen overgebracht (figuur 7). In de praktijk
komt het erop neer dat de bestaande fundering wordt uitgeschakeld.
Het grote verschil tussen draagvermogen en afmetingen van de oude en
de nieuwe palen maakt dat begrijpelijk, en gelet op de glijvlakken onder
de paalpunt zelfs wenselijk.

FIGUREN 6 en 7.

De consequentie hiervan is dat we het aanwezige draagvermogen niet
meer benutten. Hoewel onvoldoende, is dat draagvermogen toch
aanzienlijk. Immers, bij een panddiepte van 10 meter en palen met een
onderlinge afstand van 0,8 meter, schakelen we toch twaalf palen per
bouwmuur uit. Dat komt per pand neer op een niet benut
bezwijkdraagvermogen van ongeveer 2 x 12 x 250 KN = 6000 KN (600 ton).

Een andere oplossing is het aanbrengen van segmentpalen met een
nuttig draagvermogen van 100 xe2x80xa6 120 KN (10 xe2x80xa6 12 ton) per paal (figuur 8).
Segmentpalen worden in gedeelten (segmenten) ingebracht.
Het heeft grote voordelen bij het transport, zeker in de binnenstad,
en het maakt werken in een beperkte werkhoogte mogelijk.
Door toepassing van dit paaltype wordt het extra draagvermogen
gelijkmatig verdeeld aangebracht en sluiten de nieuwe palen qua
belasting en afmetingen goed aan bij de bestaande houten palen; er gaat
geen draagvermogen verloren.
Ook het aanbrengen van een betonvloer, waarvoor ook weer extra draag-
vermogen nodig is, is dan overbodig. Om uitvoeringstechnische redenen
dient de paal licht schoor (schuin) te worden geheid, met als bijkomend
voordeel dat de belasting op de zandlaag door oude en nieuwe fundering
goed wordt gespreid.

FIGUUR 8.

Vermindering van negatieve kleef.

Dit is een futuristische oplossing! Sla een damwand rondom Amsterdam
en laat daarbinnen de grondwaterstand opkomen. Niet erg praktisch en
zeker niet goedkoop. Maar het zou wel helpen. Immers, verhoging van
waterdruk geeft verlaging van korreldruk (de som is constant) en
verlaging van korreldruk geeft verlaging van negatieve kleef.
Blijft nog over vermindering van negatieve kleef door ophoogzand
onder de woningen te verwijderen. Reeds enige jaren geleden heb ik
voorgesteld dat dan maar te doen.
Het gaat ver buiten de grenzen van deze voordracht om beschouwingen
te ontwikkelen omtrent hoeveel zand er dan verwijderd zou moeten worden
in relatie met de instandhoudingsduur van de bebouwing, met inachtneming
van de tijdsduur van reconsolidatie.
Laten we eens de volgende gedachtengang ontwikkelen.
Negatieve kleef is het gevolg van korreldruk, zetting en wrijving,
alle drie veroorzaakt door het ophoogzand. Dat wil zeggen: bij
verwijdering van het ophoogzand is er ook geen negatieve kleef meer. Wel
hebben we er drie negatieve consequenties voor teruggekregen:
a   open grondwater onder de houten beganegrondvloer;
b   geen steundruk meer aan de binnenzijde van de straatgevelbalken
(figuur 9);
c   geen steundruk meer voor de kwetsbare verbinding paal/opzetter
(figuur 9).

FIGUUR 9.

Voorbeeld.

Om deze drie negatieve effecten op te heffen, is een materiaal nodig
dat aan de volgende voorwaarden moet voldoen:
1.  gemakkelijk aan te brengen;
2.  een volumieke massa gelijk aan water;
3.  even sterk als nat zand.
Een hiervoor uitermate geschikt materiaal is schuimbeton.
De uitvoering kan zeer eenvoudig geschieden.
Door een sparing in de voorgevel wordt het ophoogzand weggezogen en
door dezelfde sparing wordt het schuimbeton naar binnen gepompt tot een
hoogte van 100 mm boven het grondwaterniveau.
Na verharding zijn de onder a, b en c vermelde negatieve effecten
opgeheven.
Maar er is meer “winst” geboekt.
a   Schuimbeton met een volumieke massa gelijk aan water, weegt onder
water “niets” ten gevolge van de opwaartse druk en geeft dus geen
belasting op de palen.
b   Door de 100 mm extra is onder de houten beganegrondvloer een goede
isolatie verkregen.
c   De beganegrondvloer kan in staat van bewoning blijven.
d   Besparing van tweemaal verhuiskosten.

Vooral het onder c vermelde neveneffect is van groot belang. In
begane- grondwoningen worden Amsterdammers gehuisvest voor wie de trap
een onvriendelijk element is. Denk aan bewoners met een rolstoel,
bewoners met hartklachten. Vele woningen zijn aangepast en waar halen
we, ook al is het maar tijdelijk, aangepaste vervangende woonruimte
vandaan, nog onverlet de extra emotionele belasting voor de
gehandicapten.
Blijft over de vraag: wat doen we met het ophoogzand?
Indien niet vervuild: de straat ophogen; dat moet toch regelmatig
gebeuren. Uiteraard is het een gecompliceerde operatie, maar toch, met
veel coxe2x80x9drdinatie en nog meer goede wil dient het serieus te worden
overwogen.
De proefneming in de Atjehstraat heeft aangetoond dat een dergelijke
operatie zeer goed uitvoerbaar is.

Nabeschouwing.

De hiervoor gememoreerde oplossingsmethodieken om te komen tot een
verantwoord draagvermogen zijn uiteraard ook toepasbaar voor panden die
nog niet of nog net niet zijn verzakt en gescheurd.
Men kan ze heel goed toepassen uit preventie.
Tot nog toe werd xe2x80xa2f herstel xe2x80xa2f sloop gepleegd.
In de binnenstad, Jordaan: kleinschalig, hier en daar een paar panden
of gedeeltelijk nieuwbouw na sloop.
In Oost: grootschalig, sloop en nieuwbouw.
Beide methodieken van aanpak zijn niet toepasbaar voor de gebieden,
gebouwd tussen 1920 en 1940, de zogenaamde gordel ’20xc3x84’40.
In de gordel ’20xc3x84’40, woontechnisch, stedebouwkundig en
architectonisch zeer specifieke Amsterdamse stadswijken, kan alleen
behoud aan de orde kan zijn. Er zal geen maatschappelijk draagvlak zijn
voor het slopen van een gedeelte van bij voorbeeld de Beethovenstraat of
de Apollolaan.
En herstel van gescheurde panden leidt ook niet tot verfraaiing.
Is preventie op grote schaal mogelijk?
Het antwoord is zonder enig voorbehoud “ja”.
Van de panden zijn de palenplannen bekend. Door van een bouweenheid,
een bouwblok, de palen als populatie te beschouwen is het zeer wel
mogelijk hieruit een aselecte steekproef te bepalen van een zodanige
grootte dat de uit het onderzoek naar draagvermogen gevonden resultaten
significant zijn. Door van de resultaten de consequenties te aanvaarden,
kan verzakken en scheurvorming worden voorkomen door preventief
maatregelen als hiervoor genoemd te nemen.
Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat de keuze niet zo erg lang meer
kan worden uitgesteld. Het is aan de verantwoordelijken voor de
Volkshuisvesting, voor de “behouders” en de “herstellers” om die keuze
te maken.

“VOORKOMEN OF GENEZEN”.

Het erfgoed van Berlage wacht.

 

 

1, 3, 14, 17, 39, 42, 43, 53, 56

 

 

 

Over voorziener

Ben 73 jaar inmiddels en heb interesse in de politiek en hoe wij met zijn allen leven op deze wereld van nog 13.000 km doorsnede en we elkaar bevechten meestal om dat rotgeloof
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

snap er de ballen van en heb een herseninfarct gehad in 2007 maar wou graag mijn archief terug van 2012 en niemand kan dat waarmaken

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s